Als vergeetachtigheid een probleem wordt

Iedereen heeft weleens een moment van vergeetachtigheid. ‘Waar liggen toch mijn sleutels?’ of ‘nou loop ik naar de kast, maar wat wilde ik er eigenlijk uitpakken?’ Het zijn van die momenten waarop de twijfel kan toeslaan: is er iets mis met mij?  Meestal is er niks aan de hand, maar als vergeetachtigheid het dagelijks leven begint te verstoren en men niet meer goed voor zichzelf kan zorgen, is een bezoek aan de geheugenpoli van verpleeghuis Zevenaar aan te raden.

De geheugenpoli bestaat vijf jaar. Jaarlijks wordt deze bezocht door gemiddeld veertig mensen. “Ze komen hier nadat ze door de huisarts zijn doorverwezen”, zegt psycholoog Simon Bossers. “Voor sommigen geldt dat ze zelf geheugenklachten hebben. Maar meestal is het de partner of zijn het de kinderen die het idee hebben dat er wat mis is.”

Op de geheugenpoli krijgt de cliënt de hele dag onderzoek. De verpleeghuisarts praat met de betrokkene, doet lichamelijk onderzoek en vraagt naar de gezinssituatie. “Daarna gaat de cliënt door naar de psycholoog, terwijl ik nog praat met het begeleidende familielid”, zegt verpleeghuisarts Annemiek Bouwman.” Later gaat ook het familielid naar de psycholoog als deze bij de cliënt een geheugenonderzoek doet. “Dat kan voor de familie heel verhelderend werken”, zegt Bossers. “Ze zien dan wat iemand echt niet meer weet, bijvoorbeeld dat iemand de klok niet meer kan lezen.”

Na het bloedprikken wordt op de dagbehandeling gegeten, waar verzorgenden de betrokkene observeren. Tot slot krijgt de cliënt een onderzoek van de hersenen, een ct-scan en een onderzoek door de neuroloog. Aan het eind van de dag komen psycholoog, verpleeghuisarts en neuroloog bijeen om een gezamenlijke conclusie te trekken.

In pakweg een kwart van de gevallen is de uitkomst dat de cliënt zich geen zorgen hoeft te maken. Die gaat gerustgesteld naar huis.

Soms blijkt uit het onderzoek dat de vergeetachtigheid een behandelbare oorzaak heeft, bijvoorbeeld een depressie. “Je kunt je voorstellen dat iemand die depressief is en zich nergens voor interesseert, de dagelijkse dingen niet meer in zich kan opnemen”, zegt Bossers. “Ook door verkeerd medicijngebruik of lichamelijke klachten kan het geheugen verminderd zijn.”

Als uit de onderzoeken blijkt dat er wel sprake is van (beginnende) dementie, dan is daar in feite niets aan te doen. “Maar het is wel goed voor de betrokkenen en de omgeving te weten wat er aan de hand is”, zegt Bouwman. “Familie weet dan dat vader of moeder echt niet meer weet waar de sleutels liggen en dan hoeven ze er ook niet boos om te worden. Bovendien kunnen ze ondersteuning gaan zoeken, bijvoorbeeld dagopvang of thuiszorg. “Het is dus zaak dat je de mensen zo vroeg mogelijk ziet”, besluit Bossers